Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: éénEen


(klemtoonhomogram)

  • een

een

  1. een onbepaald lidwoord dat in het Nederlands wordt gebruikt voor een onbepaald zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
    • Is dat een merel of een kauwtje? 
  2. ook voor meervouden in uitroepende zinnen die verbazing over een aantal uitdrukken
    • En een mensen dat er kwamen kijken! 
  • eenzelfde
  • Vroeger volgden lidwoorden de naamvallen waarmee het bijbehorende zelfstandig naamwoord werd verbogen; deze verbogen vormen komen soms terug in afgeleide woorden en versteende uitdrukkingen. Streektalen kennen of kenden soms andere vormen. Het verdwijnen van deze vormen is geleidelijk gegaan en niet voor alle vormen in hetzelfde tempo. Het stelselmatig toepassen ervan lijkt bovendien altijd meer iets uit zeer verzorgde schrijftaal te zijn geweest. De vormen zijn hier in de huidige spelling vermeld, maar de schrijfwijze eene, eener en eenen waren vroeger gangbaar.
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1e: nominatief een oude gast ene oude jurk een oud paard
2e: genitief eens ouden gasts ener oude jurk eens ouden paards
3e: datief enen ouden gaste ener oude jurk enen oud paarde
4e: accusatief enen ouden gast ene oude jurk een oud paard
       
0 0 0 1
een,
op een abacus


Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
1036 1039 1042 1045 1048 1051 1054 1057 1060 1063
1066 1069 1072 1075 1099 10100 10120 10303 103003

een

  1. "1", het kleinste gehele getal, het getal tussen nul en twee
    1. om een hoeveelheid aan te geven
      • De totale kosten bedragen een euro en zevenendertig cent. 
    2. om een plaats in een volgorde aan te geven
      • Het juiste antwoord op opgave een is "42". 
  2. een geheel vormend
    • Deze drie partijen zijn een geworden. 
zelfstandig naamwoord, samengesteld met "een" ht
bijvoeglijk naamwoord, samengesteld met "een" ht

bijwoord

rangtelwoord

hooftelwoorden samengesteld met "een" ht als rechterdeel
enkelvoud meervoud
naamwoord een enen
verkleinwoord eentje eentjes

de eenv / m

  1. dat wat in een (rang)ordening met 1 is aangeduid
    • Gezondheid is bij mij altijd een. 
    • De een voor zijn proefwerk Nederlands was een straf voor afkijken. 
  2. het cijfer 1
    • Op zijn proefwerk stond een onderstreepte, rode een. 
    • Het symbool l voor "liter" wordt gemakkelijk verward met de een. 
  3. enkel iets of iemand (als tegenstelling met meerdere)
    • Zij zat daar in haar eentje en niemand die met haar praatte. 
    • Oké geef me er nog maar een, maar dat is dan ook echt het laatste wijntje dat ik drink. 
  • [3] nog een
    één enkele erbij
  • [3] me er een zijn
    opvallen door gedrag dat nog net aanvaardbaar is

samenstellingen met "een" zn als eerste deel

  1. verschillende zaken die zo met elkaar verbonden zijn dat ze eigenlijk een voorwerp geworden zijn
    • De beroemde violist was één geworden met zijn viool. 
  2. een en al helemaal
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]


een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

een

  1. een, één; het getal 1

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord


Telwoord (afr)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900
  • een
  • Afgeleid van het Nederlandse een / één

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I


een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord


een

  1. (dialect: Hindeloopers) een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I


  • een

een

  1. men


  • Afgeleid van het Oudnederlandse ēn / ein

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

een

  1. ene
  2. men



  • een
  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *ainaz

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
enkelvoud meervoud
naamwoord een enen
verkleinwoord

een

  1. een, één; het getal 1

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord


  • Afgeleid van het Oudfriese ēn

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I


een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I


  • Afgeleid van het Oudhoogduitse ein

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I


een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord


  • Afgeleid van het Oudfriese ēn

een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I


  • een

een

  1. meervoud van ee


een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord


een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

een

  1. een, één; het getal 1

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord


een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord


een

  1. een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

een

  1. een, 'n; een onbepaald lidwoord


een

  1. (Münsterlands), (Zuidwestfaals) een, één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I

een

  1. (Zuidwestfaals) een, 'n; een onbepaald lidwoord