Telwoord (pol)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

jeden

  1. één; de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling, het kleinste getal van de verzameling  ; komt na nul en vóór twee, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I



Telwoord (slk)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

jeden

  1. één; de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling, het kleinste getal van de verzameling  ; komt na nul en vóór twee, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I



Telwoord (ces)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900
  • je·den

jeden m

  1. één; de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling, het kleinste getal van de verzameling  ; komt na nul en vóór twee, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
telwoord
hoofdtelwoord jeden
rangtelwoord první / prvý
telbijwoord jedenkrát
zelfstandig naamwoord jednička

jeden

  1. mannelijk enkelvoud passief deelwoord van het imperfectieve werkwoord jíst