• man·ne·lijk
  • afgeleid van man met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen mannelijk mannelijker mannelijkst
verbogen mannelijke mannelijkere mannelijkste
partitief mannelijks mannelijkers -

mannelijk

  1. (biologie) tot het geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
    • Aantal mannelijke leraren op basisscholen daalt verder [1] 
     Later in de geschiedenis veranderde de naam van het geslacht in de Chantery en de laatste in de mannelijke lijn van deze duizendjarige familie ben jij.[2]
  2. (grammatica) behorend tot het woordgeslacht dat vrouwelijk noch onzijdig is
    • Kerel, hond en eik zijn mannelijke woorden in het Nederlands. 
  3. (sociologie) (psychologie) met gedrag zoals van mannen verwacht wordt, kenmerkend voor een man
    • Er waren natuurlijk vrouwen op wie al dat haar indruk maakte, dat mannelijke, ruwe, viriele, een beetje Spaanse aan hem. [3] 
    • Mannelijke dadendrang. 
     Het slagveld dat van schoonheid werd vervuld, het boomloze landschap dat baadde in de ochtendzon, wilde bloemen die de loopgraven vulden met hun warme geurflarden, de schoonheid van de natuur die alleen ervaren kon worden in aanwezigheid van de dood en met mannelijke deugden die alleen tot uitdrukking kwamen door het doden.[4]
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]
  1. www.nu.nl
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus  , ISBN 9789044632767
  3. Lemaitre, Pierre
    Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 13
  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus  , ISBN 9789044625691
  5.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be