eenmalig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·ma·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van een en maal met het achtervoegsel -ig
stellend
onverbogen eenmalig
verbogen eenmalige
partitief eenmaligs

Bijvoeglijk naamwoord

eenmalig

  1. wat één keer gebeurt
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.