• een·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord eenheid eenheden
verkleinwoord - -

de eenheidv

  1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen.
    • Deze mensen werden door deze dreiging tot een eenheid samengesmeed met gemeenschappelijk doel. 
    • De mobiele eenheid (ME) is een groep politieagenten die als geheel op verschillende plekken kan worden ingezet bij de bestrijding van rellen. 
  2. het gevoel dat je met velen één bent
     Nationale eenheid is nou eenmaal makkelijker te vangen in termen als democratie en vrijheid, dan in de persoon van een bolwangige veertiger.[3]
  3. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt.
    • De coulomb is de eenheid van lading. 
  4. woonruimte
    • De lounge is een vrijstaande eenheid. 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.


enkelvoud meervoud
naamwoord eenheid eenhede

eenheid

  1. eenheid