munteenheid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • munt·een·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord munteenheid munteenheden
verkleinwoord munteenheidje munteenheidjes

Zelfstandig naamwoord

munteenheid v/m

  1. (economie) munt die de basis vormt van het muntstelsel van een of meer naties
    • De euro als de munteenheid van de EU. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be