• op·per·vlak·te
  • In de betekenis van ‘bovenste vlakte, buitenkant’ voor het eerst aangetroffen in 1704 [1]
  • Afgeleid van vlakte met het voorvoegsel opper-
enkelvoud meervoud
naamwoord oppervlakte oppervlakten
oppervlaktes
verkleinwoord oppervlaktetje oppervlaktetjes

de oppervlaktev

  1. vlak dat iets naar boven begrenst
    • Vissen met longen moeten aan de oppervlakte van de zee komen om adem te halen. 
     De bliksemschicht bevat een enorme hoeveelheid energie waarbij heel veel warmte vrijkomt. De binnenkant van de bliksemstraal kan volgens Weerplaza wel 33.000 graden zijn. Ter vergelijking: de oppervlakte van de zon is ongeveer 5.500 graden. De hitte zorgt ervoor dat de lucht rondom de bliksemschicht uitzet waardoor een schokgolf ontstaat in de lucht. En dat horen wij als de donder.[2]
  2. uitgebreidheid, grootte in m²
    • De oppervlakte van een driehoek bereken je door de basis maal de hoogte te delen door twee. 
  • aan de oppervlakte komen
zichtbaar worden
•  Mijn emoties kwamen meer naar de oppervlakte zodat kleine gebeurtenissen veel meer indruk op me maakten dan eerst. [3] 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]
  1. "oppervlakte" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2.   Weblink bron “Dit is waarom het vaker onweert als het warmer wordt” (Vrijdag 24 juni 2022), NU.nl
  3. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


oppervlakte

  1. oppervlakte


oppervlakte

  1. oppervlakte


oppervlakte

  1. oppervlakte; uitgebreidheid, grootte in m²