begrenzen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gren·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
begrenzen
begrensde
begrensd
zwak -d volledig

Werkwoord

begrenzen

  1. overgankelijk beperken, limiteren
    • Vanaf januari wordt de snelheid verder begrensd. 
  2. overgankelijk als nabuur hebben
    • Dit land wordt begrensd door de oceaan aan de ene zijde en het Andesgebergte aan de andere. 
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be