0 0 6 0
zestig,
op een abacus


Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
1036 1039 1042 1045 1048 1051 1054 1057 1060 1063
1066 1069 1072 1075 1099 10100 10120 10303 103003
  • zes·tig

zestig

  1. "60", het getal tussen negenenvijftig en eenenzestig, zes maal tien
    1. om een hoeveelheid aan te geven
      • De totale kosten bedragen zestig euro en zevenendertig cent. 
      • Ik ben vandaag zestig jaar oud geworden. 
    2. om een leeftijd aan te geven
       Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen.[4]
    3. om een plaats in een volgorde aan te geven
      • Het juiste antwoord op opgave zestig is "42". 

werkwoord afgeleid van "zestig" ht

bijvoeglijk naamwoord samengesteld met "zestig" ht

bijwoord

rangtelwoord

hooftelwoorden samengesteld met "zestig" ht als linkerdeel

hooftelwoorden samengesteld met "zestig" ht als rechterdeel
enkelvoud meervoud
naamwoord zestig zestigs
verkleinwoord zestigje zestigjes

de zestigv / m

  1. dat wat in een (rang)ordening met 60 is aangeduid
    • Het is weer de zestig die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen? 
    • Haar eenenzestigste verjaardag was een belangrijk moment, want haar leven werd heel anders toen ze de zestig eenmaal voorbij was. 

de zestigmv

  1. groep van 60 eenheden
    • De zestig zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen. 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]