0 3 0 0
driehonderd,
op een abacus


Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
1036 1039 1042 1045 1048 1051 1054 1057 1060 1063
1066 1069 1072 1075 1099 10100 10120 10303 103003
  • drie·hon·derd

ˈdriehonderd'

  1. "300", het getal tussen tweehonderdnegenennegentig en driehonderdeen, drie maal honderd
    1. om een hoeveelheid aan te geven
      • De totale kosten bedragen driehonderd euro en zevenendertig cent. 
    2. om een plaats in een volgorde aan te geven
      • We logeerden vlakbij het strand in kamer driehonderd van het grootste hotel. 

rangtelwoord

hoofdtelwoorden samengesteld met "driehonderd" ht als linkerdeel
enkelvoud meervoud
naamwoord driehonderd driehonderds
verkleinwoord driehonderdje driehonderdjes

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

de driehonderdv / m

  1. dat wat in een (rang)ordening met 300 is aangeduid
    • Als jij driehonderd opruimt doe ik de twee kamers daarna wel, want die zijn kleiner. 

de driehonderdmv

  1. groep van 300 eenheden
    • Die driehonderd kunnen onmogelijk een complete brigade met tanks tegenhouden. 


Telwoord (afr)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

driehonderd

  1. driehonderd