eenvoudig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·vou·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eenvoudig eenvoudiger eenvoudigst
verbogen eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
partitief eenvoudigs eenvoudigers -

Bijvoeglijk naamwoord

eenvoudig

  1. niet ingewikkeld; uit één stuk
    • De oefeningen die je moet maken zijn eenvoudig. 
     Er ontvouwde zich een geraffineerd panorama bij de bocht. Aan het einde van de kade langs de gracht, die met eenvoudige meerpalen van blank hout was gearceerd, was de slanke boog van de Ponte del Gafaro getekend voor de oudroze gevel van een laag palazzo, die was voorzien van zeven hoge puntige ramen in een witmarmeren sponning en werd bekroond met de klokkentoren van een kerk daarachter.[3]
     Echt alleen zijn bleek nog niet zo eenvoudig.[4]
  2. zonder overdaad of vertoon
     Van eenvoudige monnik tot onsterfelijke kindervriend[5]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. "eenvoudig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. eenvoudig op website: Etymologiebank.nl
  3. Pfeiffer, Ilja Leonard   “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 24
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5. Marijke van Raephorst   “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat  , p. 10
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be