eenwieler

Nederlands

 
eenwieler
 
IJsdansen met éénwielers
Uitspraak
Woordafbreking
  • een·wie·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eenwieler eenwielers
verkleinwoord eenwielertje eenwielertjes

Zelfstandig naamwoord

eenwieler m

  1. een fiets met één wiel vooral gebruikt voor acrobatiek
    • Eenwieler hockey: Zet een kakker op een clownsfiets en je hebt eenwieler hockey. Behalve dat je op een circusfiets door de zaal zwiert, zijn de regels exact hetzelfde als bij hockey. De twee teams proberen zoveel mogelijk punten te scoren door de bal in de goal van de tegenstanders te slaan. Makkie toch? Nu alleen het fietsen nog onder de knie krijgen.[1] 
    • Uit China komt een spectaculaire act waarin veertien artiesten op eenwielers in vliegende vaart door de piste rijden, maar daarbij ook zelfs vijf man hoog op een fiets blijven jongleren.[2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 04 jan. 2016
  2. de Telegraaf RICHARD VAN DE CROMMERT 18 dec. 2013