Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blauw
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kleurnaam’ voor het eerst aangetroffen in 1121 [1]
  • [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord blauw blauwen
verkleinwoord blauwtje blauwtjes

Zelfstandig naamwoord

blauw o

  1. (kleur) de primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
Hyperoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen blauw blauwer blauwst
verbogen blauwe blauwere blauwste
partitief blauws blauwers -

Bijvoeglijk naamwoord

blauw

  1. (kleur) de kleur blauw hebbend
    • Dat lijkt wel een blauw huis! 
     Midden in de nacht schrok ik wakker doordat de deur met een klap opensloeg. Twee jongens sprongen verschrikt de hut in, een hoop commotie veroorzakend. Ze waren naar buiten gegaan om te plassen maar werden daar plotseling omringd door een blauwe lichtbol.[4]
  2. (maatschappij) zijnde een Indo of van (gedeeltelijk) Indonesische of Europees-Indische afkomst
     Doch ook daar moeten zij lijden door den vloek hunner geboorte; terwijl voor den gegoeden sinjo alle rangen tot de hoogste toe open staan, is de arme bastaard gedoemd om tal van vernederingen te verduren. Scheldnamen als: »blauwe vent, lekkerpieper, zwart mormel, klipsteen, zwarte aap, blauw lijk”, zijn er schering en inslag; en de beleedigde moet al die krenking stilzwijgend verkroppen om erger te voorkomen.[5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • blauw gevroren
  • iemand bont en blauw slaan
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
blauwen

blauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
    • Ik blauw. 
  2. gebiedende wijs van blauwen
    • Blauw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
    • Blauw je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "blauw" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. blauw op website: Etymologiebank.nl
  3. blauw op website: Etymologiebank.nl
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5.   Weblink bron Henri Hubert van Kol “Uit onze koloniën : uitvoerig reisverhaal” (1903), Sijthoff, p. 770 op Delpher.nl  
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord blauw blauwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet

Bijvoeglijk naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de kleur blauw hebbend


Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord blauw blauwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
Schrijfwijzen

Meer informatie

Bijvoeglijk naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de kleur blauw hebbend
Schrijfwijzen


Sallands

enkelvoud meervoud
naamwoord blauw blauwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet

Bijvoeglijk naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de kleur blauw hebbend


Twents

enkelvoud meervoud
naamwoord blauw blauwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet

Bijvoeglijk naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de kleur blauw hebbend


Veluws

enkelvoud meervoud
naamwoord blauw blauwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet

Bijvoeglijk naamwoord

blauw

  1. (kleur) blauw; de kleur blauw hebbend