korenbloemblauw

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·ren·bloem·blauw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord korenbloemblauw
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

korenbloemblauw o

  1. (kleur) een lichte kleur blauw
    • Heeft u die ook in het korenbloemblauw? 
stellend
onverbogen korenbloemblauw
verbogen korenbloemblauwe

Bijvoeglijk naamwoord

korenbloemblauw

  1. (kleur) de kleur korenbloemblauw hebbend
    • Hij rijdt in een korenbloemblauwe auto. 


Gangbaarheid