rookwit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rook·wit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rookwit
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rookwit o

  1. (kleur) de kleur van witte rook
    • Heeft u die ook in het rookwit? 
stellend
onverbogen rookwit
verbogen rookwitte

Bijvoeglijk naamwoord

rookwit

  1. (kleur) de kleur rookwit hebbend
    • Hij rijdt in een rookwitte auto. 


Gangbaarheid