donkergroen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·ker·groen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord donkergroen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

donkergroen o

  1. (kleur) een donkere variant van de kleur groen
    • Heeft u die ook in het donkergroen? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen donkergroen donkergroener donkergroenst
verbogen donkergroene donkergroenere donkergroenste
partitief donkergroens donkergroeners -

Bijvoeglijk naamwoord

donkergroen

  1. (kleur) de kleur donkergroen hebbend
    • Hij rijdt in een donkergroene auto. 
    • De donkergroene waterlelies bedekten het wateroppervlak.  

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be