Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·ker·grijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord donkergrijs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

het donkergrijso

  1. (kleur) een donkere variant van de kleur grijs
    • Heeft u die ook in het donkergrijs? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen donkergrijs donkergrijzer donkergrijst
verbogen donkergrijze donkergrijzere donkergrijste
partitief donkergrijs donkergrijzers -

Bijvoeglijk naamwoord

donkergrijs

  1. (kleur) de kleur donkergrijs hebbend
    • Hij rijdt in een donkergrijze auto. 
    • Vanuit het westen drijft een donkergrijs front aan. Het is begonnen te regenen, waarop ik aan de tafel in het tuinhuis (dat zijn normale proporties heeft herkregen) met de komkommergroene vloer ben gaan zitten. [1]14 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]


Verwijzingen

  1. Valens, Anton
    Het compostcirculatieplan 2016 ISBN 978-90-254-4685-7 pagina
  2.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be