Oncorhynchus tschawytscha, de koningszalm, een Pacifische zalmsoort

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zalm
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1270 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zalm zalmen
verkleinwoord zalmpje zalmpjes

Zelfstandig naamwoord

zalm m

  1. (vissen) benaming voor een aantal vissoorten uit de familie van zalmen Salmonidae  
    1. (pregnant) Salmo salar  
  2. (voeding) spierweefsel afkomstig van vissoorten uit de familie Salmonidae  
  3. (kleur) zachtrode kleur, als die van zalmen
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Het neusje van de zalm.
het beste wat er is
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie


Verwijzingen