Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bruin
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kleurnaam’ voor het eerst aangetroffen in 1210 [1]
  • (erfwoord) Ontwikkeld uit Middelnederlands brun, bruun “bruin, donker, glanzend”, uit Germaans *brūna-, verwant aan Duits braun, Engels brown, Fries brún, enz. [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bruin bruinen
verkleinwoord bruintje bruintjes

Zelfstandig naamwoord

bruin o

  1. (kleur) tertiaire kleur die wordt verkregen door rood, geel en blauw te combineren
    • Bruin is de kleur van aarde en dus de kleur die ons dichter naar de aarde toebrengt.[3] 
    • Dat bruin ziet er best mooi uit. 
  2. een paard, vooral een paard met een vacht in de kleur ~1.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: dat kan bruintje niet trekken.
dat is te duur.

Het al te bruin bakken

  • te erg maken
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bruin bruiner bruinst
verbogen bruine bruinere bruinste
partitief bruins bruiners -

Bijvoeglijk naamwoord

bruin

  1. (kleur) tertiaire kleur die wordt verkregen door rood, geel en blauw te combineren
    • Dat is een bruin huis! 
     Aan de andere kant van de vallei zag ik opeens bruine stipjes bewegen in een veld vol bosbessen. Het waren twee zwarte beren die door de felle zon goudbruin waren verkleurd.[4]
  2. (figuurlijk) gemakkelijk, zonder beslommeringen
    • Zij leiden daar een bruin leven! 
  3. (figuurlijk) een donker gelaat of uiterlijk hebbend, opgevat als een etnisch kenmerk
     Als ze met een klasgenootje mee naar huis gaat om bij haar in de tuin te schommelen, wordt het meisje door haar moeder binnengeroepen en keert zij even later terug met de mededeling dat Zon/Sonja weg moet omdat ze zwart is. Voor het eerst beseft Sonja dat zij een kleurling is; haar bruine huid is niet vanzelfsprekend meer, en ze krijgt er een hekel aan.[5]
  4. (metonymisch) (politiek) met betrekking tot het nationaalsocialisme of fascisme (vernoemd naar de dominante kleur van de uniformen van de aanhangers)
     de oorlog mag dan passé zijn, de rassenwaan en het andere ideeëngoed van de nazi's is nog geenszins overwonnen. In deze roman zijn het, naast Frau Behrend, vooral de kleine neringdoenden en cafébezoekers die de lof zingen van het bruine verleden en soms luidkeels terugverlangen naar de besnorde dictator.[6]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bruinen

bruin

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruinen
    • Ik bruin. 
  2. gebiedende wijs van bruinen
    • Bruin! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruinen
    • Bruin je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bruin" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. bruin op website: Etymologiebank.nl
  3. Kleuren en hun betekenissen, Ultimate Designs
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5.   Weblink bron Saskia van Rijnswou Marion Bloem, Geen gewoon Indisch meisje in: Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck (reds.) Lexicon van literaire werken (november 1993), Wolters-Noordhoff, Groningen / Garant-Uitgevers, Antwerpen, p. 2 op dbnl.org  
  6.   Weblink bron Wil Rouleaux Wolfgang Koeppen en zijn ‘Trilogie over Duitsland’ in: De Gids  , Jaargang 157 (1994), Meulenhoff, Amsterdam, p. 500 op dbnl.org  
  7.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be