groengeel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groen·geel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord groengeel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

groengeel o

  1. (kleur) een kleur tussen groen en geel
    • Heeft u die ook in het groengeel? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groengeel groengeler groengeelst
verbogen groengele groengelere groengeelste
partitief groengeels groengelers -

Bijvoeglijk naamwoord

groengeel

  1. (kleur) de kleur groengeel hebbend
    • Hij rijdt in een groengele auto. 
Anagrammen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be