• groen·geel
enkelvoud meervoud
naamwoord groengeel
verkleinwoord

het groengeelo

  1. (kleur) een kleur tussen groen en geel
    • Heeft u die ook in het groengeel? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groengeel groengeler groengeelst
verbogen groengele groengelere groengeelste
partitief groengeels groengelers -

groengeel

  1. (kleur) de kleur groengeel hebbend
    • Hij rijdt in een groengele auto. 
93 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be