zeegroen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zee·groen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zeegroen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zeegroen o

  1. (kleur) blauwachtig groen, kleur van de zee
    • Heeft u die ook in het zeegroen? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zeegroen zeegroener zeegroenst
verbogen zeegroene zeegroenere zeegroenste
partitief zeegroens zeegroeners -

Bijvoeglijk naamwoord

zeegroen

  1. (kleur) de kleur zeegroen hebbend
    • Hij rijdt in een zeegroene auto. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be