vaalgeel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaal·geel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaalgeel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaalgeel o

  1. (kleur) een vaal geworden kleur geel
    • Heeft u die ook in het vaalgeel? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vaalgeel vaalgeler vaalgeelst
verbogen vaalgele vaalgelere vaalgeelste
partitief vaalgeels vaalgelers -

Bijvoeglijk naamwoord

vaalgeel

  1. (kleur) de kleur vaalgeel hebbend
    • Hij rijdt in een vaalgele auto. 
Anagrammen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be