Schelpen
  • schelp
enkelvoud meervoud
naamwoord schelp schelpen
verkleinwoord schelpje schelpjes
  • In de betekenis van ‘schaal (van weekdier)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schelp
verkleinwoord

de schelpv / m

  1. (zoötomie) uit kalk (calciet en/of aragoniet) en andere mineralen bestaand, gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier (stam der Mollusca  ) wordt aangemaakt
    • Schelpen op het strand. 
  2. (kleur) de zachte kleur van schelpen
  3. (anatomie) het uitwendig deel van het menselijk oor
    • Reinig uitsluitend de schelp van het oor en gebruik hiervoor uitsluitend water.[2] 
  • In zijn schulp ( of schelp) kruipen
Stoett-2041 [3]
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]