Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hout
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hout houten
verkleinwoord houtje houtjes

Zelfstandig naamwoord

hout

  1. o (natuur) het materiaal in het binnenste van houtige planten (bomen, struiken, etc.)
     Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde. Er leek geen einde aan te komen, maar het was altijd gezellig om de avonturen van de dag te bespreken. De andere kinderen zochten hout, zetten tenten op en haalden water.[3]
     Zijn oude wolfshuid kwam goed van pas wanneer het werk in de pikzwarte ochtend begon met het verwarmen van het hout.[4]
  2. m (metonymisch) bos, park, bijv. Haarlemmerhout, Kralingerhout, Leidse Hout
    • We hebben heerlijk in de hout gewandeld. 
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Alle hout is geen timmerhout
Niet alles is van voldoende kwaliteit
  • Als zij dit doen aan 't groene hout, wat zal aan 't dorre geschieden?
  • Bos hout voor de deur
  • Dat snijdt geen hout
Daar klopt niks van/Dat werkt niet
  • Een houten Klaas
Man die zich moeilijk beweegt
  • Van dik hout zaagt men planken
Niet al te nauwkeurig of zorgvuldig werken
  • Waar (hout) gehakt wordt vallen spaanders
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "hout" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. hout op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

hout

  1. hout


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
nominatief hout houte
genitief houts houte
datief houte houten
accusatief hout houte

Zelfstandig naamwoord

hout o [1] [2]

  1. hout; stofnaam, bouwmateriaal, brandstof
    «Also comet met grooter cracht
    ute dien houte een lettelkin
    olie diere ende fijn
    inden nedersten pot tier stede»[3]
    zo verkrijgt men met grote moeite
    uit dat hout een beetje
    kostbare en fijne olie
    in de onderste pot op die plek
  2. tak, stok, balk
  3. boom; vooral als vertaling van Latijn lignum in de betekenis van boom
    «Deen es dat weten doet
    ondersceet wat quat es ende goet.
    [...]
    Dander heet des levens hout[3]
    De ene is die doet kennen
    het onderscheid tussen goed en kwaad
    [...]
    De andere heet de boom des levens
  4. ook m: hout in de betekenis van bos, woud


Verwijzingen