• goed
  • afkomstig van:
Middelnederlands: goet
Oudnederlands: guot
Germaans: *gōdaz
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: good (Angelsaksisch: gōd), Duits: gut, (Oudhoogduits: guot), Fries: goed (Oudfries: gōd)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: god, (Oudnoords: góðr), IJslands/Faeröers: góður
Oost: Gotisch: goþs
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen goed beter best
verbogen goede
goeie
betere beste
partitief goeds beters -

goed

  1. kwaliteit bezittend, aan verwachtingen voldoend
    • Wat een goed stuk om te lezen! 
     Langzaam kreeg ik door hoe ik ze het beste kon gebruiken en merkte ik dat ze mijn knieën vooral bergafwaarts ondersteunden.[7]
  2. eerlijk en vriendelijk
    • Hij was altijd goed voor ons. 
[1] intensiveringen van  goed bn :

goed

  1. op goede wijze
    • Goed gedaan! 
     Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.[7]
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    • goedvinden: hij vond het goed. 
     Want het was goed hier, om niet te zeggen perfect, en ik zag geen reden waarom ik hier niet net zo lang zou kunnen blijven tot ik wist waar ik naartoe moest gaan.[8]
  3. in hoge mate (vaak pejoratief)
    • Het is goed mis in Nederland. 
    • Mijn dag is goed verpest. 
  • goed in de slappe was zitten
rijk zijn
  • goed uit de verf komen
zich op een gunstige manier kunnen vertonen
  • goed van de tongriem gesneden
welbespraakt
  • net zo goed
evenzeer
  • niet goed snik zijn
gek zijn (van een persoon)
  • zo goed als
bijna
Ik ben zo goed als klaar met mijn scriptie.
enkelvoud meervoud
naamwoord goed goederen
verkleinwoord goedje goedjes

het goedo

  1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
  2. (juridisch) alle zaken en alle vermogensrechten (volgens de definitie van 3:1 BW)
    • Gezondheid is een groot goed. 
  • goed en bloed offeren voor
alles overhebben voor
  • have en goed (verliezen)
alles wat je hebt (verliezen)
  • gestolen goed gedijt niet
gestolen zaken brengen nooit voordeel
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[9]


  • Afgeleid van het Nederlandse goed

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend


  • Afgeleid van het Oudfriese gōd

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend


stellend vergrotend overtreffend
onverbogen goed bèter
verbogen goeie

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend


stellend vergrotend overtreffend
onverbogen goed bèter
verbogen goeie

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend


  • Afgeleid van het Middelnederlandse goet

goed

  1. goed; kwaliteit bezittend