• ge·schikt
  • In de betekenis van ‘aangenaam in omgang, passend’ voor het eerst aangetroffen in 1460 [1]
  • vervoeging van schikken: de stam met omvoegsel ge- -t [2]
vervoeging van: schikken…
verbogen vorm: geschikte

geschikt

  1. voltooid deelwoord van schikken
  2. vormt de lijdende vorm
    • De bloemen werden prachtig ˈgeschikt'. 
  3. vormt de voltooide tijden
    • Hij had zich er niet naar geschikt. 
  4. attributief gebruikt
    • De kunstig geschikte bloemen stonden er prachtig bij. 
  5. bijwoordelijk gebruikt
    • Geschikt en gesproeid was het boeket klaar om afgeleverd te worden. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen geschikt geschikter geschiktst
verbogen geschikte geschiktere geschiktste
partitief geschikts geschikters -

geschikt

  1. met de juiste eigenschappen
    • Die tang is ook geschikt om dikke draden mee door te knippen. 
     Met haar metalen golfplaten dak leek deze plek me niet geschikt om bescherming te bieden, eerder een uitnodiging aan de bliksem om in te slaan.[3]
     De volwassenen besloten soms dat bepaalde kinderboeken niet geschikt waren voor kinderen.[4]
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]