zaaigoed

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaigoed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zaaigoed o

  1. het zaad dat nog gezaaid dient te worden
    • Het zaaigoed ligt klaar om morgen uit te zaaien. 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be