goedgehumeurd

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goed·ge·hu·meurd
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen goedgehumeurd
verbogen goedgehumeurde
partitief goedgehumeurds

Bijvoeglijk naamwoord

goedgehumeurd

  1. in een opperbeste stemming verkerende
    • Iedereen hield van Donna vooral omdat ze altijd goedgehumeurd was en altijd het goede in de mensen zag, ze liet mensen nooit zitten. 
Antoniemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be