wolgoed

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wol·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wolgoed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wolgoed o

  1. het geheel van wollen kleding en andere wollen materialen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be