Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • erg
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen erg erger ergst
allerergst
verbogen erge ergere ergste
allerergste
partitief ergs ergers -
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

erg

  1. verschrikkelijk, deerniswekkend, hevig, bar, heftig
    • Katrina was de ergste ramp die New Orleans tot dusver overkomen is. 
    • Wat is het toch erg dat ze kanker heeft. 
     Elke dag het ergste vuil eraf poetsen met een natte bandana of een plons in een rivier zijn meer dan voldoende om jezelf schoon te houden.[4]
Vertalingen

Bijwoord

erg

  1. in hoge mate, zeer, danig, heel
    • Dit is een erg moeilijke zaak. 
     Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten.[4]
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord erg
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

erg o

  1. het bewust zijn van iets
    • Ik heb daar geen erg in gehad. 
  2. iets heel verschrikkelijks
     Het allerergste van al die meelopers van Engeland en Sovjet-Rusland was dat ze totaal geen idee hadden van de gevaarlijke consequenties als Duitsland zou verliezen.[5]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. "erg" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. erg op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. 4,0 4,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be