Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ongeschonden, volledig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: heel
Oudnederlands: hēl
Germaans: *hailaz
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: whole, hale, hail (Angelsaksisch: hāl), Duits: heil, (Oudhoogduits: heil), Fries: hiel (Oudfries: hēl)
Noord: Zweeds/Deens: hel, Noors: heil, (Oudnoords: heill), IJslands: heill, Faeröers: heilur
Oost: Gotisch: hails
stellend
onverbogen heel
verbogen hele
partitief heels

Bijvoeglijk naamwoord

heel

  1. niet stuk, niet gebroken
    • De vaas was gevallen maar toch heel gebleven. 
  2. zonder uitzondering, in alle delen
    • Dat is in de hele wereld het geval. 
     Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit. Na een lange beklimming stond ik uitgeput boven op Mount Whitney. De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte. Bliksem en storm.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Bijwoord

heel

  1. in hoge mate
    • Het meisje is heel mooi. 
     Heel langzaam volgden we de contouren van de haarspelden naar beneden.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
helen

heel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van helen
    • Ik heel. 
  2. gebiedende wijs van helen
    • Heel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van helen
    • Heel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen


Achterhoeks

Bijvoeglijk naamwoord

heel

  1. heel; niet stuk, niet gebroken
  2. heel; zonder uitzondering, in alle delen

Bijwoord

heel

  1. heel; in hoge mate


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
heel heels

Zelfstandig naamwoord

heel

  1. hiel


Nedersaksisch

Bijvoeglijk naamwoord

heel

  1. heel; niet stuk, niet gebroken
  2. heel; zonder uitzondering, in alle delen
Synoniemen
Antoniemen

Bijwoord

heel

  1. heel; in hoge mate


Oost-Fries

Bijvoeglijk naamwoord

heel

  1. heel; niet stuk, niet gebroken
  2. heel; zonder uitzondering, in alle delen

Bijwoord

heel

  1. heel; in hoge mate