Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tegoed tegoeden
verkleinwoord tegoedje tegoedjes

Zelfstandig naamwoord

tegoed o

  1. (financiële) middelen waarop men (bij een spaarinstelling) aanspraak kan maken
    • Alle tegoeden zijn overgebracht naar een andere rekening. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • zich tegoed doen
zich volvreten of zich voldrinken
 Ze doen zich tegoed aan honderden soorten economisch belangrijke producten, zoals papaja, pinda, rubber, bonen, erwten, komkommers en tuinbouw-, cultuur- en geneeskrachtige planten.[1]
•  Hier geen rotsbodem, maar zand met een vegetatie waar zeeschildpadden gek op zijn. Al na een paar minuten snorkelen spot je de oerbeesten op de bodem, terwijl ze zich tegoed doen aan het gras. Iedere twintig minuten moeten ze naar de oppervlakte om adem te halen en dan zwem je op centimeters afstand met de onverstoorbare beesten mee. Een prachtige belevenis.[2] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Delen Florida in quarantaine door megaslak met rattenlongworm” (02 jul 2022), NU.nl
  2. de Telegraaf RON PEEREBOOM VOLLER 02 apr. 2013
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be