• hen
enkelvoud meervoud
naamwoord hen hennen
verkleinwoord hennetje hennetjes

[A] de henv

  1. (dierkunde) vrouwtje van hoenderachtige vogels
    • De hen legt een ei in de ren. 
[1] termen uit de ornithologie:
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm

[B] hen

  1. (taalkunde) persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon meervoud in de functie van lijdend voorwerp en na voorzetsels. Voornamelijk gebruikt om te verwijzen naar personen, soms ook naar dieren.
    • Hij zag hen in de vergaderingsruimte. 
    • Met hen ging hij naar de conferentie. 
     De sfeer was altijd opgewekt, maar al snel ging iedereen over tot de orde van de dag en vertrok naar zijn of haar kamer om huiswerk te maken en ‘écht’ belangrijke mensen te bellen over de laatste drama’s op school. Wie weet inspireert mijn reis hen om later ook de wereld te verkennen.[4]
  2. (taalkunde) (lhbt) (pregnant) (niet algemeen) persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud in de functie van onderwerp en lijdend voorwerp en na voorzetsels. Gebruikt om te kunnen verwijzen naar personen die zich als non-binair identificeren
     Als iemand zich geen hij en geen zij voelt, hoe kan die persoon in het Nederlands dán worden aangeduid? De non-binaire gemeenschap vindt ‘hen’ een fijn alternatief: ‘Hen loopt.’[5]
  • In de officiële grammatica van het Nederlands wordt deze vorm onderscheiden van de datiefvorm hun. Dit onderscheid (evenals de vorm hen zelf), bekend als het systeem-Van Heule, is echter historisch gezien geheel kunstmatig[6] In de spreektaal is hen dan ook minder gebruikelijk en wordt vaak vervangen door ze, soms (in strijd met de officiële regels) door hun.
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]
  1. "hen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. hen (voornaamwoord)
  3.   Weblink bron “Verkiezing van het non-binaire voornaamwoord” (9 mei 2016) op transgendernetwerk.nl
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5.   Weblink bron
    Sander Becker
    “Is het Nederlands klaar voor het genderneutrale ‘Hen loopt’?” (8 oktober 2020) op trouw.nl  
  6. "Jan G. Kooij" in the World's Major Languages edt. Bernard Comrie 1990, Oxford University Press ISBN 0-19-520521-9.
  7.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


enkelvoud meervoud
naamwoord hen henne
  • hen
  • Afgeleid van het Nederlandse hen

hen

  1. (dierkunde) hen; het vrouwtje van de hoenderachtige vogels


  • Afgeleid van het Middelhoogduitse haben

hen

  1. hebben


  • Afgeleid van het Angelsaksische hen

hen

  1. (hoendervogels) hen, kip
  2. (dierkunde) vrouwelijke vogel


  • hen

hen

  1. eerste persoon meervoud voltooide tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van hawwe
    «Mir hen viel gesse, gedrunke un viel Kaarde gschpielt.»
    We hebben veel gegeten, gedronken en kaarten gespeeld.


  • hen

hen

  1. (zeer) ver


hen

  1. een term gebruikt als een vrouw wordt aangesproken
    «Alright Mary hen
    Alles goed Mary?


  • hen

hen

  1. (dialect) daar; op een bepaalde plek
  2. (dialect) daar, daarheen; daar naar toe
  1. tam (bw.), tamhle / támhle
  2. tam (bw.), tamhle / támhle
  1. tady, tu, zde
  2. sem (bw.), zpět, zpátky

hen

  1. genitief meervoud van hena


hen

  1. oud


  • hen

hen

  1. (neologisme) hij of zij (genderneutrale vorm, derde persoon enkelvoud)