roeipotig


Nederlands

 
roeipotig
Uitspraak
Woordafbreking
  • roei·po·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen roeipotig roeipotiger roeipotigst
verbogen roeipotige roeipotigere roeipotigste
partitief roeipotigs roeipotigers -

Bijvoeglijk naamwoord

roeipotig

  1. (vogels) zwemvliezen tussen de tenen van de poten hebbend
Verwante begrippen

Gangbaarheid

20 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be