enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm
  • hem
  • In de betekenis van ‘buitendijks land’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1182 [1]
  • In de betekenis van ‘persoonlijk voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200 [1] [2] [3] [4]

hem

  1. accusatief m derde persoon enkelvoud
    • Ik zie de man -> ik zie hem. 
     Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen. Het ging er volgens hem destijds heel anders aan toe dan nu. ‘Mijn rugzak woog wel 20 kilo, en nu loopt iedereen met dat ultralichte spul.[5]
  2. datief m derde persoon enkelvoud
    • Ik geef de man een boek -> ik geef hem een boek. 
vervoeging van
hemmen

hem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hemmen
    • Ik hem. 
  2. gebiedende wijs van hemmen
    • Hem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hemmen
    • Hem je? 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]


nominatief genitief datief accusatief
vol clit. vol clit. vol clit. vol clit.
enk 1e ic mijns mi mi
2e du -tu dijns di di
3e m hi -i sijns -es
-s
hem -em
-en
hem -en
-ene
-ne
f si -se haer -ere
-re
-er
haer -ere
-re
-er
haer -se
n het t-
-et
-t
- -es
-s
hem het -et
-t
mv 1e wi onser ons ons
2e ghi -i uwer u u
3e si -se haer -ere
-re
-er
hem
hen
-en hem
hen
-se

hem

  1. datief en accusatief m van de derde persoon enkelvoud: hem
  2. datief o an de derde persoon enkelvoud: eraan, ervoor
  3. datief en accusatief van de derde persoon meervoud: hun, hen, ze

hem

  1. zich