Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·aan
Woordherkomst en -opbouw
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     aan  
 persoonlijk     eraan  
aanwijz.   nabij     hieraan  
  veraf     daaraan  
  vragend/betrekk.     waaraan  

Voornaamwoordelijk bijwoord

(scheidbaar)
eraan

  1. vervangt *aan het, *aan ze
    • Toen moest ook hij eraan geloven. 
  2. eraan gaan: doodgaan
  3. eraan komen : al onderweg zijn
  4. eraan komen fietsen, hollen, lopen enz: al onderweg zijn op de beschreven manier
  5. eraan moeten geloven: je ergens bij neer moeten leggen, overlijden
     Op de derde avond was het grote moment aangebroken: helemaal alleen in mijn tent de nacht doorbrengen. Ik kon het niet langer uitstellen of ontwijken, deze nacht zou ik eraan moeten geloven.[1]
  6. eraan toegaan: hoe iets gebeurd
  7. eraan toezijn: hoe de conditie van iemand is, ergens behoefte aan hebben
  8. eraan zijn: moe zijn
  9. met alles erop en eraan: helemaal compleet
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be