Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: di.di-, DI
  • di

de dim

  1. (afkorting), (tijdrekening), (dag) dinsdag, de tweede dag van de werkweek
    «Open: di, wo, do, vr; dicht: za, zo, ma.»
    Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.
  • Echte afkortingen worden als regel met een punt geschreven: di., maar in opsommingen waar uit de context al duidelijk is dat het om de naam van een weekdag gaat is het gebruikelijk om de punt weg te laten[1].


di

  1. (verouderd) de


di

  1. vorm van de voor de derde persoon enkelvoud
    «Di.»
    Van haar.


  • di

di

  1. plaatsbepaling: op, in, te, aan
    «Ibu saya bekerja di kantor.»
    Mijn moeder werkt op kantoor.
    «Semalam ia tidur di hotel.»
    Gisteravond sliep hij in een hotel.
    «ada di rumah»
    thuis zijn
    «Tidak jelas di saya.»
    Het is (aan) mij niet duidelijk.
  2. in het spraakgebruik ook tijdsbepaling: op, in
    «Di hari itu ia tidak datang»
    Op die dag is hij niet gekomen
    «di bulan Juli»
    in juli
  3. nadere bepaling van het voorgaande begrip: van, uit
    «Sebenarnya dulu bapak saya senang di musik pop»
    Echt, vroeger was mijn vader dol op popmuziek.
    «tak tahu di alif»
    analfabeet
    «Jauh di mata dekat di hati»
    Ver uit het oog is diep in het hart
  1. «Jauh di mata, jauh di hati.»
    Uit het oog, uit het hart.


di

  1. van
  2. vanaf
  3. door
  4. in
  5. over
  6. te


  • di
  • Afkomstig van het Oudnoordse voornaamwoord  þinn vn 
Naar frequentie 413
  enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig
voornaamwoord   din     di     ditt     dine  

di, v (tweede persoon, vrouwelijke vorm, enkelvoud)

  1. jouw, je, uw (formeel)


  • di
  • Afkomstig van het Oudnoordse voornaamwoord  þinn vn 
  enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig
voornaamwoord   din     di     ditt     dine  

di, v (tweede persoon, vrouwelijke vorm, enkelvoud)

  1. jouw, je, uw (formeel)


nominatief genitief datief accusatief
vol clit. vol clit. vol clit. vol clit.
enk 1e ic mijns mi mi
2e du -tu dijns di di
3e m hi -i sijns -es
-s
hem -em
-en
hem -en
-ene
-ne
f si -se haer -ere
-re
-er
haer -ere
-re
-er
haer -se
n het t-
-et
-t
- -es
-s
hem het -et
-t
mv 1e wi onser ons ons
2e ghi -i uwer u u
3e si -se haer -ere
-re
-er
hem
hen
-en hem
hen
-se

di

  1. datief en accusatief tweede persoon enkelvoud jou, je

di

  1. je


vervoeging van
dar

di

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd (pretérito indefinido) van dar
vervoeging van
darse

di

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd (pretérito indefinido) van darse
vervoeging van
decir

di

  1. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van decir


  • di

di

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord jít