enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm
  • hij
  • In de betekenis van ‘persoonlijk voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: hi, hie
Oudnederlands: hi
Germaans: *hiz
Indo-Europees: *ki-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: he, it, (Angelsaksisch: hē), Oudhoogduits: hēr, Fries: hy, hja, it (Oudfries: hī)
Oost: Gotisch: his

hij

  1. mannelijk derde persoon enkelvoud nominatief dat men gebruikt voor verwijzingen naar mannelijke personen of mannelijke zelfstandige naamwoorden
    • Hij heeft een hoed. 
    • Wie heeft het gedaan? Hij! 
     Maar dit gevoel duurde niet lang want na een kort praatje schreef hij opeens een officiële boete uit voor de hele groep omdat het blijkbaar verboden was om boven op Mount Whitney te overnachten.[2]
     Zo kwam ik een keer na een lange dag aan bij een op de kaart gemarkeerde waterbron om tot mijn schrik te ontdekken dat hij helemaal was opgedroogd.[2]
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]


hij

  1. hij; mannelijk derde persoon enkelvoud nominatief


hij

  1. hij; mannelijk derde persoon enkelvoud nominatief