hie

  1. hij; mannelijk 1e persoon enkelvoud nominatief


  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *hīz

hie

  1. zij; vrouwelijke 3e persoon meervoud nominatief

hie

  1. haar; 3e persoon enkelvoud accusatief van hēo


  • hie
  • Afgeleid van het Oudhoogduitse hia

hie

  1. (verouderd) hier


  • hie

hie

  1. hier


hie

  1. hier


  • Afgeleid van het Angelsaksische

hie

  1. hij


  • Afgeleid van het Oudsaksische

hie

  1. hij; 3e persoon enkelvoud nominatief


hie

  1. hij; mannelijk derde persoon enkelvoud nominatief


  • Afgeleid van het oudere

hie

  1. hij; mannelijk 3e persoon enkelvoud nominatief


hie

  1. hij; mannelijk 3e persoon enkelvoud nominatief


  • Afgeleid van het Oudfriese

hie

  1. hij; mannelijk 3e persoon enkelvoud nominatief