• hier
  • erfwoord, in de betekenis van ‘bijwoord van plaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: hier
Oudnederlands: hira
Germaans: *hē₂r
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: here (Angelsaksisch: hēr), Duits: hier, (Oudhoogduits: hiar), Fries: hjir (Oudfries: hīr, hēr)
Noord: Zweeds: här, Deens/Noors/Faeröers: her, (Oudnoords: hér), IJslands: hér
Oost: Gotisch: hēr

hier aanwijzend bijwoord (nabij) van plaats

  1. op deze plaats
    • Hier! (uitroep, kom naar deze plek, vaak tegen hond of klein kind) 
    • Hier wordt goud gevonden. 
     De jongen naast me deed zijn koplamp aan waardoor de in de muur gekraste namen zichtbaar werden: hier waren al eerder mensen gestrand.[2]
  2. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord. Het vervangt een aanwijzend voornaamwoord (nabij) deze, dit
    • hier gaat niets boven (niets gaat boven dit)  
     `Hier links vindt u de bibliotheek; zei mijn gids, 'met daarachter de groene zaal en de Chinese kamer.[3]
  • [1] híér (beklemtoonde vorm)
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]


hier

  1. hier


  • hier

hier

  1. alhier, hier


  • Van het Latijnse heri (gisteren)

hier

  1. (tijdrekening) gisteren