Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heb·ben
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bezitten, hulpwerkwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • Afkomstig van:
Middelnederlands: hebben
Oudnederlands: hebban

De verdere etymologie is niet geheel zeker:

Germaans: *habjanan, *haf- (in dit geval verwant met heffen; de betekenis is in dit geval verschoven van "vasthouden, in bezit houden" naar "bezitten" en die van het hulpwerkwoord). Of: *ghebh-; in dit geval is hebben etymologisch ook verwant met geven.
Indo-Europees: *kap- , of: *ghab(h)-
  • Verder verwant in Germaans:
West: Engels: have (Angelsaksisch: habban, hafian), Duits: haben, (Oudhoogduits: habēn), Jiddisch: האָבן (hobn), Fries: hawwe (Oudfries: hebba, habba, hava)
Noord: Zweeds: hava, Deens/Noors: have (Oudnoords: hafa), IJslands: hafa, Faeröers: hava
Oost: Gotisch: haban
  • Mogelijk verwanten in andere Indo-Europese talen:
(Indien te herleiden tot PIE *ghab(h)-) Latijn: habere, Litouws: gabenti, Oudiers: gaibid
(Indien te herleiden tot PIE *kap-) Grieks: κάπτειν, Latijn: capere
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hebben
had
gehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

[A] hebben

  1. hulpwerkwoord gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden
     In een oude National Geographic had ik ooit als kind een artikel over deze trail gelezen, 4.286 kilometer door Amerika. Dit heb ik altijd onthouden, maar ik had nooit gedacht dat zo’n lange wandeltocht voor mij weggelegd zou zijn.[2]
  2. absoluut (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten
    • Ik heb een mooi huis. 
  3. absoluut als onderdeel hebben, omvatten, bevatten
    • Een auto heeft vier wielen. 
  4. absoluut lijden aan
    • Hij heeft aids. 
  5. absoluut in dienst hebben
    • Het bedrijf heeft 50 werknemers. 
  6. absoluut drukt een familierelatie uit
    • Hij heeft drie kinderen. 
  7. absoluut in zijn macht hebben
    • De rebellen hebben de hoofdstad. 
    • De politie heeft de verdachte. 
  8. absoluut als taak zich bezig moeten houden met
    • Klas 2C heeft nu Frans. 
    • Dhr. Anthonis heeft deze klant. 
  9. absoluut overweg kunnen met
    • Ik kan hem niet hebben. 
  10. absoluut weerstaan, doorstaan
    • Die vertraging kunnen we er niet meer bij hebben. 
    • Dit team kunnen we hebben. 
  11. absoluut een relatie hebben
    • Hij heeft met Linda. 
  12. absoluut, hulpwerkwoord ~ te: moeten, verplicht zijn
    • Dat heb je maar te doen/laten! 
  13. absoluut ~ over: als onderwerp van gesprek hebben
    • Waar heeft u het eigenlijk over? 
  14. absoluut ~ aan: ergens nut van hebben, baat bij hebben
    • Daar heb je helemaal niets aan. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: behoefte aan iets hebben
  • [1]: het mis hebben
  • [7]: grip hebben op iets
  • [7]: het op iets gemunt hebben
  • [9]: het moeilijk hebben met iets
Typische woordcombinaties
  • [1]: bij zich hebben[3]
Opmerkingen
  • Hoewel het werkwoord in de meeste zelfstandige betekenissen een lijdend voorwerp kan krijgen en daarom soms als overgankelijk gezien wordt, ontbreken lijdende vormen geheel, ook de onpersoonlijke. Verder is het voltooid deelwoord alleen voltooid en nier lijdend. Het kan niet attributief gebruikt worden. (De *gehadde man. <uitgesloten>). Wikiwoordenboek categoriseert het daarom als absoluut.
  • De grammaticale functie van hebben als standaard hulpwerkwoord in combinatie met een voltooid deelwoord heeft zich vermoedelijk sinds het eind van de oudheid ontwikkeld in meerdere Indo-Europese taalgroepen. Het oorspronkelijke betekeniselement "bezitten" is bij deze gegrammaticaliseerde constructie helemaal verdwenen.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

[B] hebben

  1. hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd
  2. hebben + te: moeten: Wij hebben dit te accepteren
Vertalingen


Zelfstandig naamwoord

hebben o

  1. het bezit
Uitdrukkingen en gezegden
  • het hele hebben en houden
het hele bezit
•  Ik wilde met mijn hele hebben en houden op mijn rug in de overweldigende wildernis van Amerika slapen onder de sterren, nieuwe mensen ontmoeten, alleen met mijn gedachten door de bossen lopen en de vrijheid hebben om te gaan en te staan waar ik wilde. [5] 


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. "hebben" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3. bijhebben / bij zich hebben
  4. Martin Konvička, De opkomst van de Nederlandse grammatica, 2017, p. 147
  5. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be