aanhebben

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·heb·ben
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhebben
had aan
aangehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

aanhebben

  1. absoluut een kledingstuk of sieraad dragen
    • Ze had haar bikini aan. 
     De resterende vijf maanden heb ik nooit meer een onderbroek aan gehad [sic!][1]
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be