onderdeel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderdeel onderdelen
verkleinwoord onderdeeltje onderdeeltjes

Zelfstandig naamwoord

onderdeel o

  1. een gespecialiseerd deel (component) van een groter geheel
    • Het onderdeel stroomvoorziening is onmisbaar voor het functioneren van ons bedrijf. 
     Het was een gekke gewaarwording om na alle drukte van thuis helemaal alleen te lopen als een klein onderdeel van het landschap.[1]
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be