relatie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·la·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘betrekking’ voor het eerst aangetroffen in 1568 [1]
  • afgeleid van het Franse relation (met het achtervoegsel -atie) [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord relatie relaties
verkleinwoord relatietje relatietjes

Zelfstandig naamwoord

relatie v

  1. een min of meer vast verband, betrekking
    • Zou er een relatie bestaan tussen die twee verschijnselen? 
  2. een persoonlijke, vaak amoureuze verhouding
    • Hij onderhield een relatie met een andere vrouw. 
     Maar ook schreef ik mijn gedachten op over relaties, emoties, vrouwen, mannen, kinderen, verslaving, angst en haat.[4]
     Het gerechtshof in Amsterdam heeft Keith Bakker woensdag in hoger beroep veroordeeld tot achttien maanden cel voor het verkrachten van een minderjarig meisje. Het OM eiste eind juni zes jaar cel en tbs met dwangverpleging, maar de straf viel fors lager uit. Volgens het hof is bewijs voor dwang in de relatie niet gevonden.[5]
  3. iemand waarmee men zakelijke contacten onderhoudt
    • Het is zaak je relaties in ere te houden. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "relatie" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Wiktionnaire
  3. relatie op website: Etymologiebank.nl
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5.   Weblink bron “Voormalige verslavingsgoeroe Keith Bakker krijgt fors lagere straf in hoger beroep” (13 jul 2022), NU.nl
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be