betrekking

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·trek·king
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘werkkring’ voor het eerst aangetroffen in 1866 [1]
  • Naamwoord van handeling van betrekken met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord betrekking betrekkingen
verkleinwoord betrekkinkje betrekkinkjes

Zelfstandig naamwoord

betrekking v

  1. een band of relatie
    • Dat land heeft geen diplomatieke betrekkingen met Nederland. 
  2. een bezigheid waaruit men inkomsten haalt, de baan, ambt, post, werkkring
    • Ze heeft momenteel een tijdelijke betrekking. 
  3. een verband
    • Dit zeg ik u met betrekking tot uw vraag. 
     Dit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.[2]
     Na veel lees- en denkwerk zul je je realiseren dat heel veel zaken die betrekking hebben op all-inclusive vakanties in werkelijkheid niet zo zijn als ze lijken of worden voorgespiegeld.[3]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen