• ken·nis
enkelvoud meervoud
naamwoord kennis -
verkleinwoord - -

[A] kennis v

  1. wat je weet of hebt geleerd
    • Hij heeft veel kennis van biologie. 
     Leren geeft kennis, kennis geeft macht, macht om onafhankelijk te blijven.[3]
  • buiten kennis
bewusteloos
  • bij kennis
  • Kennis van zaken hebben
van iets veel weten
  • Kennis is macht
veel weten kan veel invloed betekenen
enkelvoud meervoud
naamwoord kennis kennissen
verkleinwoord kennisje kennisjes

[B] kennis m/v

  1. iemand met wie men bekend is
    • Hij is een kennis van mij. 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]


kennis

  1. kennis; wat je weet of hebt geleerd


kennis

  1. kennis; wat je weet of hebt geleerd
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be