honingbij
  • bij
  • afkomstig van:
Middelnederlands:  bie zn 
Oudnederlands:  bīa zn 
Germaans: *bīōn
Indo-Europees: *bʱi-, *bʱéi- (uitsluitend Europees ?) [4]
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: bee (Angelsaksisch: bēo), Duits: Beie, Biene, (Oudhoogduits: bîa), Fries: bij
  • afkomstig van:
Middelnederlands:  bi vz 
Oudnederlands:   vz 
Germaans: *bi
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: by (Angelsaksisch: bī), Duits: bei, (Oudhoogduits: bi), Fries: by (Oudfries: bi, be)
Oost: Gotisch: bi
enkelvoud meervoud
naamwoord bij bijen
verkleinwoord bijtje bijtjes

[A] de bijv / m

  1. (vliesvleugeligen) benaming voor vliegende insecten uit het geslacht Antophila   die leven van nectar en honing
    • Bijen zijn heel nuttige dieren voor de landbouwers en de fruittelers. 
    • De wilde bij is van enorm belang, zo bespaart de 'gratis arbeider' de mensheid jaarlijks miljarden euro's. Toch weten we relatief weinig van de hardwerkende insecten. Onderzoekers willen hier verandering in brengen met de eerste Nationale Bijentelling dit weekend, waarbij iedereen wordt gevraagd om in de tuin of op het balkon het aantal bijen te turven. [6] 
    1. (in het bijzonder) honingbij Apis mellifica  
  •  by zn  (officiële spelling tot 1864 in België en 1883 in Nederland)
  • bezige bij
    iemand die heel ijverig is
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     bij  
 persoonlijk     erbij  
aanwijz.   nabij     hierbij  
  veraf     daarbij  
  vragend/betrekk.     waarbij  

[B] bij

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
  2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    • erbij: hij heeft er weinig bij op te merken. 
  3. op het actuele punt, op gelijke hoogte
    • Jan was weer bij met de rest van de klas. 
  4. met bewustzijn (met als antoniem bewusteloos)
    • Na een lange tijd kwam de dronken man weer een beetje bij. 
  •  by bw  (officiële spelling tot 1864 in België en 1883 in Nederland)

[B] bij

  1. in de buurt van (meestal in een ondergeschikte positie)
    • De boom staat bij het huis. 
  2. op de plaats behorende tot
    • De vereniging vergaderde bij de heer De Vries. 
  3. tijdens, gedurende
    • bij leven was hij smid. 
  4. op het moment van
    • bij het horen van deze woorden. 
  5. in de omstandigheid van
    • bij nacht en ontij. 
  6. in geval van
    • bij onvoldoende aanmeldingen wordt de bijeenkomst afgezegd. 
  7. door, als gevolg van
    • bij toeval. 
  8. in toestand van
    • bij zinnen. 
    • bij volle verstand. 
  9. ergens aan toevoegen
    • Doe er maar wat extra zout bij. 
    • Hij kwam ook bij de club. 
  •  by vz  (officiële spelling tot 1864 in België en 1883 in Nederland)
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]


  • Afgeleid van het Oudfriese

bij

  1. (vliesvleugeligen) bij; benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila die leven van nectar en honing


bij

  1. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van biś


bij

  1. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van bić


  • bij

bij

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord bít