• bij·lich·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijlichten
lichtte bij
bijgelicht
zwak -t volledig

bijlichten

  1. overgankelijk licht laten schijnen op de handen of de activiteit van iemand die ergens mee bezig is
    • Het is hier zo donker, kun je me even bijlichten? 
     Op „Het duet” zingen een besnorde man en een vrouw met ontblote borst uit een liedboek dat ze bijlichten met een kaars.[2]
  2. overgankelijk (fotografie) (filmkunst) met kunstmatige lichtbronnen iets beter in beeld brengen
    • Door de scenes bij te lichten kwamen de kleuren beter uit. 
     Talloos zijn de anekdotes over hoe hij het liefste met natuurlijk licht werkt en hooguit bijlicht om dat te versterken.[3]
  3. overgankelijk (figuurlijk) iemand voorzien van informatie die hij voor een bepaald doel nodig heeft
    • Als hij dat zelf wil doen, moeten we hem wel bijlichten over de risico's. 
     Zijn obsessie met Hermes Trismegistos betekent niet dat Kircher zich afzijdig hield van de de werkelijkheid. (…) Toch heeft hij zich bij al zijn werk door Hermes laten bijlichten – zeg maar rustig ‘verblinden’. Voor een deel beweegt hij zich in een andere wereld, die parallel naast de ons bekende realiteit beweegt.[4]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Kortkolom kunst” (7 juni 2013) op nrc.nl  
  3.   Weblink bron
    Dana Linssen
    “Camera met een ziel” (10 juni 201) op nrc.nl  
  4.   Weblink bron
    Atte Jongstra
    “De uitvinder van de kattenpiano” (1 maart 2013) op nrc.nl