zomer
  • zo·mer
  • In de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
  • Verwant met het Oudindische sama (jaargetijde, jaar). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord zomer zomers
verkleinwoord zomertje zomertjes

de zomerm

  1. (meteorologie) jaargetijde tussen lente en herfst
     De hemel van de zomer verjaagt het zuur van de stad, zong Charles Trenet al: 'Wij zijn gelukkig, Route Nationale 7.'[3]
     In het woestijndorp Agua Dulce, 725 kilometer van de Mexicaanse grens, bleef ik drie nachten logeren in de tuin van de Saufley’s, een familie die al 20 jaar Trail Angels zijn en hun tuin de hele zomer open stellen voor PCT-hikers.[4]

Één zwaluw maakt nog geen zomer.

  • Slechts één positief teken duidt nog niet op een volledig herstel, volledige winst enz.

De zomer is dood.

  • De zomer is voorbij (o.a. in Voorstad van Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot).
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]
  1. "zomer" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. zomer op website: Etymologiebank.nl
  3.   Weblink bron
    Peter Giesen
    “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  5.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be