Nederlands

 
Een bed [1]
Uitspraak
Woordafbreking
  • bed
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘slaapplaats’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • Van het Oudnederlandse bedde, verdere etymologie onzeker; mogelijk van Indo-Europees *bhodh-, waarvan bijv. ook het Latijnse fodere zou komen.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bed bedden
verkleinwoord bedje bedjes

Zelfstandig naamwoord

bed o

  1. (meubel) een meubel gemaakt om in te slapen
     Maar één ding wilde Pietje beslist niet: slapen in een groot bed met witte lakens.[3]
  2. (tuinieren) afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden
    • We liepen door de tuin langs een bed met aardbeien. 
  3. (waterstaat) bedding van een rivier/ onderlaag van een weg
    • In de zomer had de rivier zich teruggetrokken in het zomerbed. 
  4. (medisch) plaats in een verpleeginrichting
    • Dit instituut heeft een capaciteit van 100 bedden. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord bed bedde

Zelfstandig naamwoord

bed

  1. bed


Deens

Woordafbreking
  • bed
Naar frequentie 1024

Werkwoord

bed

  1. gebiedende wijs van bede

Werkwoord

bed

  1. verleden tijd van bide
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bed     bedet     bede     bedene  
genitief   beds     bedets     bedes     bedenes  

Zelfstandig naamwoord

bed, o

  1. (tuinieren) perk
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Engels

enkelvoud meervoud
bed beds

Zelfstandig naamwoord

bed

  1. bed